Historie van de makelaar

Een makelaar handelt in opdracht van een koper OF verkoper. Hij brengt de twee partijen tot elkaar en sluit hun onderlinge overeenkomst. Het beroep van makelaar is al eeuwenoud. De eerste vermelding in Nederland dateert van 1284, toen de handelsstad Dordrecht de primeur had. Makelaars waren de officiële tussenpersonen op de zogeheten "stapelmarkt", die vaak bij de haven lag. Daar werd gehandeld in allerlei roerende goederen, met name producten als textiel, hout, graan, koffie en cacao.

Ongeveer vier eeuwen geleden telde de "stapelplaats" Amsterdam circa 600 makelaars. De Amsterdamse makelaars hadden zich verenigd in een gilde. Dit makelaarsgilde hanteerde strenge normen en voor het beroepsgedrag en deelde forse boetes uit bij wangedrag. De leden moesten hun vakbekwaamheid kunnen aantonen door middel van een makelaarsstafje. Vanaf 1936 moest bij elke transactie dit stafje aan de twee partijen worden getoond. Het was een houten stafje met aan het ene uiteinde een zilveren dop met het Amsterdamse stadswapen. Aan het andere uiteinde zat een zilveren dop met het monogram MKRS (= MaKeLaaRS). Met de zilveren stempeldoppen bezegelde de erkende makelaar ieder contract.

Het Amsterdamse gilde gaf het laatste stafje uit in 1854. Een museum moet tegenwoordig duizenden euro's betalen voor een origineel makelaarsstafje. Tegenwoordig is het makelaarsstafje nog een fraai teken van de waardigheid van het ambt. De Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM) biedt het stafje aan de beëdigde leden aan, als zij van onbesproken gedrag zijn en hun zilveren jubileum vieren. Jacques Klarenbeek heeft ook het makelaarsstafje tijdens zijn 25 jarige makelaarsschap mogen ontvangen

De term "makelaar" duidt niet alleen een tussenpersoon aan, maar heeft ook een bouwkundige betekenis: een tussenstuk. Het gaat dan om een verticale houten balk in de nok van een bepaald type woningkap.  Deze balk vormt de verbinding tussen de horizontale spantbalken. Een balk als deze heet "makelaar" omdat hij twee partijen bij elkaar brengt.

In maart 2001 heeft Annemarie Jorritsma (de toenmalige minister van Economische Zaken) de beëdiging en titelbescherming van makelaars afgeschaft. Sindsdien kan iedereen die dat wil zich "makelaar" noemen, al is het makelaarsexamen blijven bestaan. Thans dient examen te worden gedaan in de volgende basisvakken: Vastgoedeconomie, Financiën, Fiscaliteiten en Taxaties, Juridische Aspecten I en II en Bouwkunde.

Na de theoretische examens bestaat er nog steeds een Praktijktoets op het gebied van taxeren en lokale kennis. Ieder die dit met succes heeft afgelegd, kan in het bezit komen van het certificaat van vakbekwaamheid en zich inschrijven in één van de registers. Er wordt geen eed meer afgenomen.

Om lid te worden van de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM) moeten makelaars, nadat hun vakbekwaamheid is vastgesteld, een eed (belofte) afleggen bij de NVM. Bij het afleggen van deze eed belooft de makelaar dat hij zijn vak eerlijk, betrouwbaar en onafhankelijk zal uitoefenen.